De Zeven Zussen

Zeven-Zussen

Titel: De zeven zussen

 

Auteur: Lucinda Riley

 

Aantal pagina’s: 622

 

 

 

 

Korte samenvatting:  Zes geadopteerde zussen zijn door hun steenrijke adoptievader vernoemd naar het sterrenbeeld De Zeven Zussen. Een zevende zus is er echter nooit bij gekomen. Alle zussen zijn opgegroeid en uitgevlogen, behalve Maia, de oudste. Na een drama in de liefde heeft zij zichzelf opgesloten op hun eiland Atlantis in het meer van Genève, waar ze vertaalwerk doet. Als hun vader plotseling overlijdt blijven de zussen ontredderd achter.      Pa Salt (een anagram voor Atlas, aangevuld met de P van Pleione, de ‘moeder’ van de sterrenbeeldzusters) heeft echter voor ieder van hen een brief achtergelaten met aanwijzingen over hun afkomst. Maia is de eerste die besluit om haar afkomst te achterhalen. Haar reis voert naar Rio de Janeiro, waar ze de schrijver Floriano Quintelas ontmoet, van wie ze een boek heeft vertaald. Hij helpt haar bij haar zoektocht. Door middel van brieven die haar overgrootmoeder lang geleden aan haar bediende schreef, komt Maia achter haar familiegeschiedenis. Ze leert ook veel over zichzelf en haar eigen motieven en beweegredenen, daarbij geholpen door Floriano, die verliefd op haar is. Is zij in staat om zijn liefde te beantwoorden?

 

De schrijfster heeft een aantal historische namen en gebeurtenissen verwerkt in haar roman. Zo kom je bijvoorbeeld alles te weten over het ontstaan van het wereldberoemde Christusbeeld in Rio en over het Parijs in de jaren twintig van de vorige eeuw en de ontwikkeling van diverse kunststromingen in die tijd. Voor haar hoofdpersonen gebruikt ze diverse anagrammen uit de Griekse mythologie. Heel leuk om dat uit te puzzelen als je het eenmaal door hebt! Overgiet dit alles met een mierzoet sausje en je hebt de ingrediënten voor een fijne romanserie, waarvan dit het eerste deel is.

Hoewel mij persoonlijk iets té zoet, heb ik toch genoten van dit boek en ik ben heel benieuwd hoe het verder gaat met de andere zussen!

Update: inmiddels heb ik de verhalen van nog drie andere zussen gelezen. Het ene verhaal wat zoeter dan het andere, maar bovenal boeiend verteld, met veel informatie over historische personen en hun omgeving. Dat is vooral wat mij trekt aan deze serie en daarom blijf ik de zevens zussen volgen. Binnenkort begin ik aan het volgende deel, ik ben benieuwd!

Ginny Moon heeft gelijk

Titel: Ginny Moon heeft gelijk

Auteur: Benjamin Ludwig

Uitgegeven bij Harper Collins, 382 bladzijden.

Korte samenvatting: Ginny Moon is dertien jaar, autistisch, heeft een ontwikkelingsachterstand en woont in een pleeggezin. Toen ze bij haar biologische moeder werd weggehaald bleef haar babypop achter en Ginny maakt zich voortdurend zorgen over haar. Want haar moeder kan niet goed voor haar babypop zorgen. Daarom onderneemt GiGinny Moonnny telkens pogingen om terug te gaan naar haar biologische moeder, zodat ze weer voor haar babypop kan zorgen. Maar elke keer mislukt dat weer, want Ginny wordt voortdurend in de gaten gehouden. Haar pleegmoeder krijgt een baby, maar Ginny mag haar niet helpen om voor de baby te zorgen. Ze mag haar zelfs niet aanraken. Haar pleegvader doet enorm zijn best, maar hij kan de situatie bijna niet meer aan en krijgt een hartaanval. Gaat het Ginny lukken om samen met haar moeder en de babypop te ontsnappen naar Canada of moet ze naar Saint Genevieves’s, het tehuis voor meisje die niet veilig zijn?

 

 

 

 

Hartverscheurend

Dit is een hartverscheurend verhaal over een autistisch meisje met een traumatisch verleden. Zij begrijpt de wereld niet en de wereld begrijpt haar niet. Ondanks alle goede bedoelingen van jeugdzorg en pleeggezinnen, lukt het haar in eerste instantie niet om goed te functioneren. De schrijfstijl is sober, vanuit het oogpunt van een autist, wat af en toe hilarische passages oplevert. Het doet een beetje denken aan de Rosie-boeken van Graeme Simsion. Toch voel je de pijn, de machteloosheid en het onbegrip, van zowel Ginny, als de mensen om haar heen.

De schrijver heeft het boek gebaseerd op zijn eigen ervaringen met een geadopteerde autistische tiener. Dat maakt het des te schrijnender. Groot respect voor mensen als Patrice (hechtingstherapeut in het verhaal), die een klein beetje weten door te dringen in de leefwereld van deze jongeren, die zo anders zijn als wij, maar toch ook weer zo hetzelfde. Ze worstelen soms met grote problemen, maar zijn niet in staat om daar woorden aan te geven of op de juiste manier hulp te vragen. Dat maakt hun leven complex en onveilig. Dit boek geeft ons een klein inkijkje in het leven van één van hen.

Zeker lezen!

 

Bevroren dromen

Titel: Bevroren dromen sneeuwkristal

Auteur: Antony Doerr

Aantal pagina’s: 429

Oorspronkelijke titel: About Grace

 

 

 

 

Voordat Anthony Doerr zijn bestseller Als je het licht niet kunt zien schreef, verscheen er in 2004 al eerder een boek van hem: About Grace. Het werd in het Nederlands vertaald onder de titel Verlossing en uitgegeven door De Bezige Bij. Nu is het opnieuw uitgegeven bij The House of Books, onder de huidige titel: Bevroren dromen. Waarom is dit boek voor de tweede keer uitgegeven onder een andere titel? En welke titel past het best bij dit verhaal?

 

Obsessie

Het verhaal gaat over David Winkler, een hydroloog die geobsedeerd is door sneeuwkristallen. Hij woont in het plaatsje Anchorage, in Alaska. Op een dag wordt hij verliefd op Sandy Sheeler, de vrouw waar hij letterlijk van heeft gedroomd. Sandy is getrouwd en hun relatie ontwikkelt zich heel traag. Op een dag gaat ze weg bij haar man Herman en verhuist samen met David naar een plaatsje in Ohio, waar ze in de kelder aan een kunstwerk begint. Ze krijgen een dochtertje, Grace.

 

Dromen

David heeft voorspellende dromen: hij droomde dat hij Sandy ontmoette, maar hij heeft ook een keer een droom gehad over een man, die op straat verongelukte. Op een dag kwam die droom voor zijn ogen uit, een traumatische ervaring die hem altijd is bijgebleven. Dan droomt hij over zijn dochtertje Grace. Tijdens zijn poging om haar tijdens een overstroming te redden sterft ze. Hij krijgt last van nachtmerries en kan niet meer slapen. Telkens weer probeert hij haar in zijn dromen te redden en telkens weer gaat ze dood. Dan komt er echt een overstroming en hij weet dat zijn droom gaat uitkomen. Hij smeekt Sandy om uit hun huis te vertrekken, maar ze weigert. Wanhopig vlucht hij tenslotte van huis weg, in de hoop dat hij dan tenminste niet de dood van zijn dochtertje op zijn geweten heeft. Hij stapt op een boot en komt terecht in de Cariben, bij het eiland St. Vincent. Daar wordt hij opgenomen in het gezin van Felix en Soma, die gevlucht zijn uit Chili en daar een nieuw leven hebben opgebouwd. Hij bouwt een bijzondere band op met hun dochtertje Naaliyah, misschien doet ze hem aan zijn eigen dochter denken.

Telkens probeert hij contact op te nemen met Sandy, maar ze neemt nooit de telefoon op en op een dag krijgt hij alle brieven die hij haar schreef ongeopend retour, met de mededeling dat hij dood voor haar is.

Dan droomt hij dat Naaliyah verdrinkt als ze volwassen is, terwijl ze op een boot het anker uitgooit en verstrikt raakt in de ankerketting. In zijn droom slaapwandelt hij terwijl hij Naaliyah probeert te redden en wordt wakker met haar enkel in zijn handen. De rest van de familie wordt ook wakker en hij wordt het huis uit gezet, want ze denken dat hij haar iets wil aandoen.

Toch blijft hij bevriend met de familie, al ziet hij Naaliyah pas weer als ze al volwassen is. Ze doet vooronderzoek voor een studie die ze wil gaan doen en gaat elke dag in een bootje de zee op om koraalmonsters te verzamelen. David smeekt haar om ermee op te houden, maar ze weigert. Hij stalkt haar elke dag, maakt telkens haar boot onklaar, gooit het betonnen ankerblok in zee, tot de dag waarop hij weet dat zijn droom gaat uitkomen. Als zij uitvaart rent hij langs de kust met haar mee. Dan ziet hij voor zijn ogen zijn droom gebeuren. Hij rent het water in, zwemt naar de boot en weet haar op het nippertje te redden.

 

Zoektocht

Daarna gaat Naaliyah insecten bestuderen in Anchorage, Alaska.

David ontdekt dat hij door zijn dromen het leven van anderen blijkbaar kan beïnvloeden en vertrekt terug naar huis om op zoek te gaan naar zijn dochter Grace, die misschien nog leeft. Na een lange en uitputtende zoektocht eindigt hij halfdood in Alaska, waar Naaliyah hem vindt en meeneemt naar haar onderzoekplek in een verafgelegen en onbewoond gebied. Daar brengen ze de lange poolwinter door. Zij met haar insecten, David met zijn sneeuwkristallen.

 

Grace

Na de winter is David eindelijk zo ver dat hij contact op durft te nemen met de ex-man van Sandy, Herman Sheeler. Wonder boven wonder klikt het tussen hen en Herman vergeeft David dat hij er met Sandy vandoor is gegaan. Het blijkt dat Sandy inmiddels is overleden, maar Grace leeft nog, is getrouwd, gescheiden en heeft een zoontje van vijf: Christopher. Herman past regelmatig op hem als Grace aan het werk is. David zoekt Grace op, maar zij wil niks van hem weten. David heeft wel stiekem contact met Christopher, op de dagen dat Herman op hem past. Weer heeft hij een voorspellende droom, waarmee hij ditmaal het leven van Herman weet te redden. Grace wordt iets toeschietelijker en hij mag nu contact met Christopher hebben, maar echte genade ontvangt hij nooit van Grace.

 

Duister

Hoewel het hoopvol is dat David uiteindelijk in staat is om, dankzij zijn duistere dromen, de levens te redden van mensen die hem lief zijn, heeft het boek toch een duistere ondertoon: al die sneeuw, kou, donkerheid en gedachten aan de onontkoombaarheid van de dood maken mij, liefhebber van zon en warmte en neigend naar depressiviteit, op zijn zachtst gezegd niet blij. Het gedeelte dat zich in de Cariben afspeelde sprak mij wat dat betreft meer aan, hoewel ook daarin de somberheid en depressiviteit overal in doorsijpelt. Het volgende citaat doet het boek m.i. dan ook volledig recht:

Toen hij als postdoctoraal student ijskristallen bestudeerde, ontdekte hij uiteindelijk de onderliggende vorm (…), die met zo’n ijzige regelmaat werd herhaald dat hij een koude rilling niet kon onderdrukken. Onder al die pracht (…) ging iets onontkoombaars schuil: kristallen konden net zo min als mensen ontsnappen aan hun interne blauwdrukken. Alles gehoorzaamde aan een star patroon, de zekerheid van de dood.

 

Titels:

De titels: About Grace en Verlossing spreken over hoop en genade. Bevroren dromen daarentegen geeft juist aan dat niet altijd alles goed komt. Dat het leven hard en meedogenloos is en dat in het leven niets zeker is, behalve de dood.

Ondanks het feit dat de eerste twee titels de gebeurtenissen in het boek beter samenvatten, past de titel Bevroren dromen m.i. toch beter bij de toon van het verhaal: donker en somber. Desondanks kan Doerr wel prachtig schrijven, wat ook de reden is dat ik het boek toch niet heb weggelegd!

Ik vermoed dat het boek voor de tweede keer is uitgegeven als gevolg van het succes van Als je het licht niet kunt zien. Dit boek is de duistere tegenhanger ervan; er is, soms bijna letterlijk, in dit verhaal weinig licht te zien. Aan de andere kant: je moet het ook willen zien: in de duisternis ontvouwt zich het prachtige Noorderlicht en als je sneeuwvlokken onder de microscoop legt onthult het licht hun prachtige patronen. Ik zou bijna willen zeggen: Als je het licht niet kunt zien in je bevroren dromen, dan kun je verlossing vinden door ze tegen het Licht te houden en zo genade ervaren.

Echte liefde vind je in de boekhandel

book-shop

Auteur: Veronica Henry

Oorspronkelijke titel: How to Find Love in a Bookshop

Aantal pagina’s: 335

Het verhaal speelt zich af in een knus Engels dorpje, vlak bij Oxford, waar Emilia na het overlijden van haar vader probeert om zijn boekhandel voort te zetten. Nightingale Boeken is zo’n heerlijke ouderwetse Engelse boekwinkel, waar iedereen altijd graag komt om op zijn gemak tussen de boeken rond te snuffelen. Helaas heeft haar vader er financieel een beetje een puinhoop van gemaakt, en het is nog maar de vraag of Emilia de boekhandel kan behouden. Bovendien is daar de rijke projectontwikkelaar Ian Mendip, die aast op het stuk grond waarop de winkel staat. En dan is er ook nog Marlowe, op wie Emilia stiekem verliefd is, maar die een ander heeft. Tel daarbij op dat haar vader een geheime relatie bleek te hebben met de eigenaresse van een groot landgoed en alle ingrediënten voor een heerlijk feelgood verhaal  zijn aanwezig. Compleet met een happy end en een romantische witte kerst als afsluiter.

Voor iemand die van boeken in het algemeen en boekwinkels in het bijzonder houdt is dit echt een aanrader! Kruip op een druilerige zondagmiddag onder een kleedje op de bank, kopje thee erbij en heerlijk genieten.

De Man van Kerst

dsc_0022

De Man van Kerst haastte zich door de duisternis. Zijn dunne gebedsmantel bood maar weinig bescherming tegen de snijdende wind. Hij rilde en stak zijn handen onder zijn oksels om ze een beetje warm te houden. Even bleef hij staan om de witte wolkjes die zijn adem maakte te bewonderen. Wolkenflarden joegen langs de hemel en hier en daar pinkelde een ster. Een harde stoot bracht hem uit zijn evenwicht.
‘Ga dan ook niet midden op de stoep stilstaan, man!’ mopperde een schorre stem achter hem. Hij verontschuldigde zich en stapte opzij om de man die tegen hem was opgebotst te laten passeren. De man sputterde nog wat en liep met grote passen verder.
‘Ik zegen je met vrede!’, riep de Man van Kerst hem na.
Maar de man hoorde het al niet meer, blijkbaar had hij haast.

Ook de Man van Kerst vervolgde zijn weg, in de luwte van de huizen. Het was al laat en hij werd verwacht in de Grote Kerk. Hij versnelde zijn pas een beetje. Toen hij de hoek omsloeg struikelde hij bijna over de benen van een zwerver, die languit lag te slapen in een portiek. Het stuk karton dat hij als deken gebruikte bedekte hem nog niet half. De Man van Kerst trok zijn mantel uit en legde die over de slapende man heen. ‘Ik zegen je met dromen van vrede’ mompelde hij en terwijl hij zijn overhemd tot bovenaan dichtknoopte liep hij snel verder. In het winkelcentrum reikte een verdwaalde straatverkoper hem de daklozenkrant aan. Hij bleef staan, grabbelde in zijn zak en drukte de man een briefje van twintig in zijn handen. ‘Hier, koop maar iets te eten voor je gezin’ zei hij vriendelijk. De mond van de straatverkoper viel open. Hij griste het biljet uit zijn handen en stopte het snel weg. De Man van Kerst legde zijn hand op de schouder van de man en zegende hem. Toen liep hij weer verder. Zijn hart huilde om de leegte en de armoede die hij tegenkwam in deze stad.

Na een poosje stak hij de straat over en passeerde een deftig herenhuis. Zijn oog viel op een klein meisje met blonde krullen, dat met een trieste blik uit het raam staarde.
Hij stopte even en zwaaide naar haar. Haar lipjes bewogen, maar hij verstond niet wat ze zei, dus haalde hij zijn schouders op en glimlachte. ‘Wacht even!’ mimede ze en ze stond op en verdween door een deur. Even later ging de voordeur open.
‘Dag meneer’ zei ze, ‘hebt u soms de Kerstman gezien? Ik zit de hele avond al te wachten en hij komt maar niet…’
‘De Kerstman?’ herhaalde hij en hij krabde zich eens achter zijn oor. ‘Nee, die ken ik niet.’ Ze keek sip en haar lipje begon te trillen.
‘Maar…’ zei ze, terwijl de tranen in haar ogen sprongen, ‘maar hij komt toch zeker wel?’ Hij ging op zijn hurken zitten en keek haar vriendelijk aan, terwijl hij over haar wangetje aaide. ‘Ik weet het niet, lieverd’ zei hij.
Ze deed een stapje achteruit en keek hem met haar grote blauwe ogen verschrikt aan. ‘Wat hebt u een koude handen!’ riep ze. ‘En u hebt niet eens een jas aan! Wacht, neem die van papa maar, die heeft er toch twee’.
Ze ging op haar tenen staan en wipte een jas van de kapstok. Bijna verloor ze haar evenwicht onder het gewicht van de jas. Ze sleepte hem over de vloer en wilde hem aangeven, toen plotseling een deur openging.
‘Elodie, wat doe je!’ klonk een snerpende stem. Het meisje schrok en draaide zich om.
‘Ik geef deze meneer een jas, mama. Hij heeft het heel koud…’
‘Maar Elodie, je weet toch dat je niet zomaar de deur voor een vreemde open mag doen!’ De vrouw griste de jas uit de handen van het meisje en trok haar trok haar bij de voordeur vandaan. Ze maakte een sissend geluid naar de man. ‘Sjoe, wegwezen hier, wat denkt u wel niet. Opschieten of ik bel de politie! Kom Elodie, trek je jas aan, we moeten naar de kerk.’
‘Maar mama’ sputterde het meisje. ‘We weten niet eens hoe die meneer heet en hij heeft ook geen jas!’
‘Niks mee te maken’ mopperde haar moeder en ze maakte aanstalten om de deur dicht te doen. ‘Hup, ga weg man!’
De man deed een stap achteruit. Hij wankelde een beetje.
‘Ik ben de Man van Kerst’ kon hij nog net uitbrengen, voordat de deur dichtviel.
Een nijdige windvlaag rukte aan zijn kleren en er ging een rilling door hem heen.
In de verte begonnen de kerkklokken te beieren. Hij moest nu echt opschieten.

Zijn handen waren inmiddels gevoelloos geworden en ook in zijn tenen had hij haast geen gevoel meer. Zo snel hij kon strompelde hij verder. Aan het eind van de straat was een groot plein. Midden op het plein stond een groepje mensen rondom een vuurkorf. Er stond een kraampje waar glühwein en warme chocolademelk werd verkocht. Hij tastte in zijn zak naar wat kleingeld, maar herinnerde zich toen dat hij al zijn geld aan de straatverkoper had gegeven. Hij probeerde iets dichter bij de vuurkorf te komen zodat hij in ieder geval zijn handen kon warmen. Daarbij stootte hij per ongeluk tegen iemand aan, die net een slokje van zijn glühwein nam. De hete vloeistof klotste over de rand van de beker, over de kleren van de man. Hij kromp ineen toen er een grote vloek in zijn gezicht knalde.
‘Kun je niet uitkijken, eikel, je ziet toch dat ik hier sta?!’
De Man van Kerst begon zich te verontschuldigen, maar werd ruw opzij geduwd.
Hij verloor zijn evenwicht en viel tegen een andere man aan. Opnieuw klonk er een vloek. ‘Idioot, kijk uit waar je loopt!’
De Man van Kerst hervond met moeite zijn evenwicht en duwde zijn keppeltje terug op zijn hoofd, dat scheef was gegleden tijdens zijn val.
‘Kijk nou dan jongens, het is een Jood!’ riep een van de mannen uit het groepje.
‘Jij hoort hier niet, rot op vuile Jood!’ schreeuwde een ander.
Zijn vrienden vielen hem bij en dreigend kwamen ze op hem af.
‘Wegwezen jij, ga terug naar Auschwitz’ werd er geroepen.
Plotseling voelde hij een snerpende pijn in zijn gezicht. Iemand had hem een vuistslag verkocht. Hij voelde een straaltje warm vocht over zijn bovenlip lopen, maar voor hij het weg kon vegen sloeg hij dubbel door een stomp in zijn maag. Hij probeerde zich overeind te houden, maar kreeg een trap in zijn rug. Voor hij het wist lag hij op straat, het groepje mannen met hun gezichten uitzinnig van woede boven hem. Hij sloot zijn ogen en bereidde zich voor op de volgende trap. Achter zijn ogen flikkerden zilveren stippen. Ineens werd het stil. In de verte klonk het geluid van sirenes. Met moeite opende hij zijn ogen en zag de mannen die hem belaagd hadden wegrennen.
‘Gaat het, meneer?’ Een vrouw stond over hem heen gebogen en probeerde hem overeind te helpen. ‘Het gaat wel’ wist hij moeizaam uit te brengen.
Na een paar pogingen lukte het hem om op te staan. De vrouw reikte hem een zakdoek aan. ‘Bedankt’ stamelde hij, terwijl hij zijn gezicht afveegde. ‘God zegene u.’
Hij propte de bebloede zakdoek in zijn zak en begon weer te lopen.

Inmiddels was het begonnen te regenen en kleine, venijnige spettertjes geselden zijn gezicht. Voor hem doemde de Grote Kerk op. Vanachter de ramen straalde een vriendelijk licht hem tegemoet. Toen hij dichterbij kwam hoorde hij gezang: Stille nacht, heilige nacht, Davids zoon, lang verwacht… Hij zuchtte van opluchting. Eindelijk een plek waar hij welkom was! Voorzichtig duwde hij de deur open en werd omhelsd door een uitnodigende warmte. Het rook er naar kaarsen en dennengroen. Hij wilde al doorlopen toen hij plotseling een hand op zijn arm voelde.
‘Hela, dat gaat zomaar niet! De dienst is al begonnen en de kerk zit overvol. Er mag niemand meer in.’
‘Maar… ik word verwacht…’ stamelde hij.
‘Nee meneer, orders van de brandweer. En nu eruit!’
De kerkdeur ging open en even later stond hij weer buiten in de kou. Uitgeput liet hij zich tegen de muur zakken. Wat nu? Hij kon nergens heen. In het donker schuifelde hij om het kerkgebouw heen. Wie weet was daar ergens een schuilplaats te vinden. Voor zich zag hij licht branden. Er klonk gemekker. Hij opende een klein deurtje en snoof de geur op van vers hooi. Het leek wel een stal. Hij keek rond maar afgezien van een ezel, een koe en een paar geiten was er niemand te zien. Achterin het schuurtje lag een hoop stro. Daar liet hij zich vallen. Nu had hij in ieder geval een plek om te slapen. Het hooi was heerlijk zacht en geurig en al snel viel hij in slaap.

Na een poosje werd hij wakker van het geluid van gezang. Even waande hij zich terug bij zijn vader, zo hemels klonk het. Maar toen hij zijn ogen opendeed zag hij dat er niet ver bij hem vandaan een kinderkoortje stond te zingen. Hij wreef zijn ogen uit en keek eens goed om zich heen. Waar was hij eigenlijk beland? Daar zaten een man en een vrouw op een pak stro. De vrouw had een baby in haar armen. Ze leek wel wat op de vrouw die hem geholpen had toen hij in elkaar geslagen was. Maar die had toch niet zo snel een baby gekregen? Er stonden een heleboel mensen om haar heen, die allemaal naar de baby keken. De man had wel iets weg van die kerel die eerder op de avond tegen hem was opgebotst. Hij ging overeind zitten en ineens klonk er een gil: ‘Ieeee! Wat is dat voor een engerd, daar in die hoek!’
Ineens keek niemand meer naar de baby, ze keken allemaal naar hem. Iedereen schreeuwde door elkaar. Van schrik begon de baby te huilen. Hij stond op, veegde het stro van zijn kleren en probeerde uit te leggen wie hij was en wat hij hier deed. Maar niemand luisterde. Plotseling voelde hij een klein handje in de zijne. Hij keek omlaag en zag een bos blonde krullen. Het was Elodie. ‘Wacht eens even!’ riep ze. ‘Dit is helemaal geen engerd, het is de Man van Kerst!’
‘Kind, hou toch je mond’ snerpte de stem van haar moeder uit de menigte vandaan. ‘De Kerstman bestaat helemaal niet!’
‘Maar mama, hij is het écht’ probeerde Elodie nog eens. ‘Hij heeft het zelf gezegd…’
Ze werd in de rede gevallen door een lange man in een zwart pak: ‘Wat is hier allemaal aan de hand? Wie is die man, Elodie?’
‘Het is de Man van Kerst, papa’ antwoordde het meisje. Dat klopt toch precies met waar je vanavond over gepreekt hebt. Je zei dat hij arm was en dat hij er niet mooi uitzag.’ ‘Onopvallend was Zijn uiterlijk, hij miste iedere schoonheid. Zijn aanblik kon ons niet bekoren. Hij werd veracht, door mensen gemeden’ citeerde de dominee zachtjes voor zich heen de tekst van zijn preek deze Kerstnachtdienst en hij bekeek de man nog eens goed. Die zag er inderdaad niet uit. Zijn gezicht was gehavend, alsof hij een pak slaag had gehad en er piekten strootjes uit zijn haar. Hij had geen jas aan en zijn overhemd was gescheurd. Kortom, hij zag eruit als de eerste de beste zwerver.
‘Of hij de Man van Kerst is weet ik niet’ sprak hij tot zijn gemeente, terwijl hij over zijn kin wreef. ‘Maar het minste wat we kunnen doen is ervoor zorgen dat deze man een bad en schone kleren krijgt.’ En hij wendde zich tot de vreemdeling om hem uit te nodigen in zijn huis. Maar de plek waar de man zonet nog stond was nu leeg. Verbijsterd keek hij om zich heen. Weer ontstond er consternatie in de kerststal, iedereen liep rond om de Man van Kerst te zoeken, maar hij was nergens te vinden. Het leek wel alsof hij van de aardbodem was verdwenen.
In de kribbe huilde de baby, maar niemand sloeg er acht op.

Een aantal straten verderop maakte een oude rabbi aanstalten om de synagoge af te sluiten. Het avondgebed was al een paar uur geleden uitgesproken, maar hij was nog achtergebleven om zijn hart uit te storten voor de Heer der Wereld. Hij doofde de laatste kaarsen en slofte naar de deur. Ondertussen mompelde hij de slotwoorden van het Achttiengebed, dat eerder op die avond geklonken had: ‘Gezegend gij, Heere, Die Zijn volk Israël zegent met vrede’. Die vrede was momenteel ver te zoeken. Overal ter wereld werden joden veracht en gehaat en ook in zijn eigen stad ervoer hij dagelijks de gevolgen daarvan. Het was haast onmogelijk om nog met een keppeltje op over straat te gaan en vele joodse gebouwen moesten beveiligd worden. Zijn eigen kleine synagoge lag veilig weggestopt in een achterafstraatje, maar hij vroeg zich af voor hoe lang nog.
Hij sloot de deur zorgvuldig af en stapte de straat op. Na een paar stappen werd hij plotseling op zijn schouder getikt. Van schrik maakte hij een klein luchtsprongetje.
‘Wees maar niet bang’ sprak een zachte stem bij zijn oor. ‘Ik heb geen kwaad in de zin’. Toen hij zich omdraaide stond hij oog in oog met een gehavende man in gescheurde kleren. Hij droeg geen jas en er staken een paar strootjes uit zijn haar. Hij leek warempel wel een vogelverschrikker!
‘Shalom’, stamelde de rabbi, toch nog een beetje angstig.
‘Ik vroeg me af of u misschien een slaapplek voor mij heeft?’ vroeg de man. Hij rilde en wreef over zijn gehavende gezicht.
‘Vertel mij eerst maar eens wie u bent’, zei de rabbi, iets stoutmoediger nu.
‘Ze noemen mij de Man van Kerst’, antwoordde de vreemdeling.
‘Kerst, daar doen wij niet aan’, bromde de rabbi. Dat is een feest van de gojim.’
‘Maar is het niet een mitswa dat je je brood deelt met de armen, onderdak geeft aan mensen zonder huis, iemand kleding geeft, die geen kleding heeft en je bekommert om je medemens?’ vroeg de man.
De rabbi trok onzeker aan zijn baard en verbaasde zich over de Thorakennis van deze vreemdeling. Hij vroeg zich af of het kwaad kon om de man in de synagoge te laten overnachten. Dan had hij in ieder geval een dak boven zijn hoofd. Het was of de man zijn gedachten kon lezen. ‘Neem me mee naar je huis’ smeekte hij. ‘Laat me niet alleen in de synagoge achter.’ De rabbi aarzelde. Zijn huis was nauwelijks groot genoeg om zelf in te wonen, laat staan dat hij onderdak kon bieden aan een vreemdeling. Hij keek de man nog eens goed aan en werd geraakt door de blik in zijn ogen. Hij straalde iets heel vertrouwenwekkends uit, ondanks zijn sjofele uiterlijk. ‘Vooruit dan maar’, mompelde hij. ‘Kom maar mee dan’.
En samen liepen ze in de richting van zijn huis. De rabbi had moeite om de man bij te benen, die de weg naar zijn huis al leek te weten. Wie was deze man?

Thuisgekomen stak de rabbi de twee sabbatkaarsen weer aan, die hij uit angst voor brand had uitgeblazen voordat hij van huis ging en sprak de bijbehorende zegening uit.
De Challot en de Kidushbeker stonden al klaar op tafel. Hij hief de beker en sprak: ‘Baruch ata Adonai, Koning van het Heelal, die de vrucht van de wijnstok geschapen heeft.’ 
Hij nam een slok en gaf de beker aan zijn tafelgenoot, die ook een slokje nam. Daarna volgde het ritueel van handen wassen. Vervolgens hief hij het brood op om de zegen uit te speken, maar de vreemdeling was hem voor: ‘Gezegend zijt Gij, o Here, onze God, Koning van het heelal, die brood uit de aarde voortbrengt’  sprak hij
Verbaasd bekeek de rabbi de man die in zijn gescheurde kleren de zo bekende zegening uitsprak. Hij zag nu dat hij een keppeltje droeg. ‘U bent Joods’ constateerde hij. ‘Hoe kunt u een Jood zijn en tegelijkertijd de Man van Kerst?’ De man glimlachte slechts en doopte zijn brood in het zout, waarna hij het in zijn mond stak.
De rest van de maaltijd verliep in stilte.

Aan het eind van de maaltijd sprak de rabbi het dankgebed uit: ‘Gezegend zijt Gij, Heer onze God, Koning van het heelal, die de gehele wereld voedt met goedheid, met liefde, vriendelijkheid en genade. Hij geeft voedsel aan alle mensen, omdat Zijn goedheid voor eeuwig is. ‘Moge de genadige God ons de Sjabbat doen beërven in de komende wereld, die een volmaakte rustdag voor eeuwig zal zijn.’ vulde de Man van Kerst aan. 
Daarna stonden zij op en de rabbi ging de man voor naar zijn slaapkamer en bood hem zijn bed aan. ‘Ik slaap wel op de bank’ stelde hij de man gerust, toen hij hem zag aarzelen. ‘De Heer zal u zegenen’, zei de man dankbaar. ‘Lees Jesaja 53 en alles zal u duidelijk worden.’
De rabbi wenste hem een goede nachtrust en ging in de kamer aan zijn bureau zitten.
Hij sloeg zijn Torah open en begon te lezen in Jesaja 53.

De volgende morgen vroeg snelde hij vol opwinding naar de slaapkamer om zijn gast te wekken. Hij had veel met hem te bespreken over het gedeelte dat hij deze nacht had bestudeerd! Maar toen hij op de deur klopte kwam er geen antwoord. Voorzichtig opende hij de deur op een kier en gluurde naar binnen. De Man van Kerst was verdwenen. Nergens was nog een spoor van zijn aanwezigheid te ontdekken. Enigszins verdwaasd vroeg de rabbi zich af met wie hij nu zijn ontdekkingen kon bespreken. Ineens kreeg hij een idee. Hij trok zijn jas aan, zette zijn hoed op en zette koers naar de Grote Kerk. Zijn vriend de dominee zou hem vast meer kunnen vertellen!

Toen hij bij de kerk aankwam was de dienst net begonnen. Snel schuifelde hij naar binnen en zocht een plekje achterin de kerk. Tot zijn grote verbazing las de dominee voor uit Jesaja 53.  ‘U zult zich wel afvragen waarom ik, net als gisteravond, dit gedeelte lees’ begon hij zijn preek. Enkele mensen knikten instemmend. ‘Gisteravond waren wij getuige van een vreemde gebeurtenis’ vervolgde hij. In de kerststal achter onze kerk lag een vreemdeling te slapen.’ De rabbi veerde op en spitste zijn oren. ‘Hij zag er vies en gehavend uit’ sprak de dominee. ‘We schrokken toen we hem zagen en wensten het liefst dat hij snel uit ons vredige kersttafereeltje verdween. Zo’n vieze vreemdeling hoort daar niet thuis, vonden wij.’ Hij kuchte en schraapte zijn keel. ‘Tot mijn grote schaamte moet ik bekennen dat diezelfde man gisteravond bij ons aan deur stond. Mijn dochter bood hem een van mijn jassen aan, omdat hij het koud had, maar mijn vrouw stuurde hem weg. Ze vond het gevaarlijk dat onze dochter zomaar de deur had opengedaan voor een zwerver en bovendien stonden we op het punt om naar de kerk te gaan voor de Kerstnachtdienst.’ Hij bladerde in zijn bijbel en ging toen verder: ‘Maar de bijbel leert ons dat wie zo iemand ontvangt in feite Jezus zelf ontvangt. Jezus, die met Kerst naar deze wereld kwam en die werd geboren in een stal omdat er geen plaats was in de herberg.’ Hij zweeg even en vervolgde toen: ‘Wat nu als deze zwerver, die zich de Man van Kerst noemde, werkelijk de Man was waar het met Kerst over gaat…? En wij hebben het niet gezien, wij zagen alleen een vieze, haveloze zwerver. Maar dit kind, en hij wees naar zijn dochter Elodie, die vlak voor de rabbi zat, ‘dit kind heeft hem gezien. Zonder aanzien des persoons vervulde zij de Bijbelse opdracht om voor de armen te zorgen. Maar de Man van Kerst vond bij ons in de kerk niet thuis. Hij verdween voordat we hem alsnog welkom konden heten.’
De dominee zweeg even en slikte. Het was doodstil in de kerk. Een enkeling schoof ongemakkelijk heen en weer. ‘Laten wij bidden en ons verootmoedigen voor de Heer van de Wereld, zodat onze ogen geopend mogen worden voor de Man van Kerst’ besloot hij zijn preek.

De rabbi stond op, hief zijn armen ten hemel en riep: ‘Omein!

Als je het licht niet kunt zien

Auteur: Anthony Doerr

Oorspronkelijke titel: All the Light We Cannot See

Verschenen: 2014

Hoofdpersonen: Marie-Laure LeBlanc en Werner Pfennig

Korte samenals je het licht niet kunt zienvatting: Het blinde meisje Marie-Laure LeBlanc vlucht in WO2 met haar vader vanuit Parijs naar Saint-Malo om de meest waardevolle schat van het Natuurhistorisch Museum in Parijs veilig te stellen. De Duitse weesjongen Werner Pfennig belandt bij de Hitlerjugend en wordt naar het front gestuurd. Uiteindelijk komt hij in Saint-Malo terecht, waar hun verhalen samenkomen.

Bijzonder aan dit verhaal vind ik de ontwikkeling die Werner doormaakt. Samen met zijn zusje Jutta woont hij in een weeshuis ergens in een klein mijnstadje in Duitsland. Hij zit vol met vragen en heeft iets met techniek. Uit het niets tovert hij radio’s in elkaar en op een dag wordt hij ‘ontdekt’ door een legerofficier, die ervoor zorgt dat hij naar een speciale school kan, waar hij wordt opgeleid voor het leger. Dit is een keiharde opleiding en er gebeuren nare dingen, die hij eigenlijk niet kan verantwoorden voor zijn geweten. Maar de jongens worden er compleet gehersenspoeld en hun geweten wordt a.h.w. uitgeschakeld. Het komt zelfs zover dat Werner het niet eens opneemt voor zijn vriend, de zachtaardige en kwetsbare Frederik, als deze regelmatig gepest en in elkaar geslagen wordt: Werner doet zijn mond open en dan weer dicht; hij kan niet meer; hij sluit zijn ogen, zijn gedachten. Opvallend is de loyaliteit van Frederick, die Werner niets kwalijk neemt ‘alsof Frederick nu al begrijpt dat voor beiden de koers helemaal is uitgestippeld en er niets anders opzit dan deze te volgen‘.  Toch blijft Werner’s geweten spreken, voornamelijk in de persoon van zijn zusje Jutta, die, hoewel jonger dan hij, toch al schijnt te begrijpen dat alles aan deze oorlog fout is. In gedachten praat hij soms tegen haar als hij gedwongen meedoet aan allerlei wreedheden: Ogen dicht, Jutta. Soms schrijft hij haar brieven (die overigens zwaar gecensureerd worden, net als de hare), maar vaker ook niet. Op die manier brengt hij zijn geweten tot zwijgen. Totdat de soldaten met wie hij de radiozenders van het verzet moet opsporen en vernietigen voor zijn ogen een klein meisje doodschieten dat hem aan Jutta doet denken. Op dat moment herinnert hij zich een zin uit een radioprogramma dat werd uitgezonden vanuit Frankrijk, waar hij en zijn zusje voor de oorlog altijd ademloos naar luisterden: Dus, eigenlijk, kinderen, is al het licht welbeschouwd onzichtbaar.

En dan ontmoet hij Marie-Laure. Hun jacht op illegale radiozenders brengt hen naar Saint-Malo, waar hij het signaal opvangt van de zender waarmee zij haar bericht dat ze in nood is de wereld instuurt. Hij herkent haar accent en de muziek van het radioprogramma van vroeger: Nu speelt de piano een uitgebreid, bekend loopje (…) en Werner ziet de zesjarige Jutta zich naar hem toebuigen. Op de achtergrond staat Frau Elena deeg te kneden, hij heeft een kristalontvanger op schoot, de snaren van zijn ziel zijn nog niet beschadigd. (…) Frederick zei dat we geen keuzes hadden, geen regie over ons eigen leven, maar uiteindelijk was het Werner die deed alsof er geen keuzes bestonden. Werner die toekeek hoe Frederick de emmer water voor zijn voeten liet vallen – “ik doe het niet” -, Werner die werkloos aan de kant bleef staan terwijl Frederick de gevolgen onderging. Op dat moment besluit hij om niet te vertellen dat hij een signaal opgevangen heeft.

Marie-Laure, die op haar zesde jaar blind is geworden, beleeft de oorlog in chaotische, angstaanjagende geluiden, geuren en kleuren. Want blind zijn betekent nog niet dat alles zwart is. Het licht dat je niet kunt zien is er wel degelijk, want, zoals de broer van haar oudoom in zijn radioprogramma voor kinderen eens uitlegde: De hersenen zijn uiteraard in totale duisternis gehuld. Ze drijven in een heldere vloeistof binnen in de schedel, nooit in het licht. En toch is de wereld die we daarmee in gedachten construeren vol licht. Die zit boordevol licht en beweging. Hoe dan, creëren de hersenen, die zonder ook maar een sprankje licht bestaan, een wereld vol licht voor ons? (…)

Marie-Laure creëert in haar wereld zonder licht de meest bijzondere kleuren: de museumgebouwen zijn beige, kastanjebruin, hazelnootkleurig. De wetenschappers zijn lila, citroengeel en roodbruin. (…) De kerkklokken geven bronskleurige bogen af (…) Bijen zijn zilverkleurig; duiven zijn rossig en kastanjebruin en heel soms goudkleurig. (…) Haar vader straalt wel duizend kleuren uit: opaal, aardbeienrood, diep roodbruin, mosgroen. Wat een prachtige, poëtische taal gebruikt de schrijver hier om de werkelijkheid te beschrijven!

Door haar zijn creëert Marie-Laure ook licht in de wereld van haar oudoom Etiënne, die zwaar getraumatiseerd is door zijn ervaringen in WO1. Ze weet hem uit zijn schulp te lokken en bouwt een bijzondere band met hem op.

Marie-Laure verzamelt slakken, stenen en schelpen die ze op het strand in Saint Malo vindt. Die sorteert ze op soort en op maat, zoals ze in Parijs deed met de dennenappels die ze vond. Ik denk dat ze dit doet om houvast te hebben in de chaos die haar blindheid met zich meebrengt. Want als je niets ziet is de wereld om je heen één grote chaos. Haar vader helpt haar door zeer gedetailleerde maquettes te maken van de buurt waarin ze woont. Op die manier leert ze, door bijvoorbeeld lantaarnpalen te tellen, zelfstandig de weg te vinden. Haar vader zet ook zeer vernuftige doosjes in elkaar, waarin hij vaak iets verstopt voor Marie-Laure. Ze weet ze altijd binnen de kortste keren open te krijgen. In één zo’n doosje verstopt haar vader een zeer kostbare diamant, die hij voor het museum waar hij werkt in veiligheid moet brengen. Hun vlucht brengt ze uiteindelijk naar Saint-Malo in Bretagne, waar ze bij oom Etiënne in zijn grote huis gaan wonen. Maar het duurt niet lang of haar vader wordt opgepakt en naar een werkkamp getransporteerd. De diamant heeft hij echter verstopt in een huisje in de maquette van Saint-Malo, die hij voor Marie-Laure heeft gemaakt.

Uiteindelijk komt Sergeant-Majoor Von Rumpel, een Nazi die kostbare schatten moet verzamelen voor Hitler, deze diamant op het spoor. Weer een prachtige metafoor van de schrijver: een soldaat van de Duisternis die op zoek is naar een loepzuivere diamant!

Tijdens de aanvallen van de geallieerden komt Saint-Malo zwaar onder vuur te liggen. Marie-Laure is intussen alleen achtergebleven in het zwaar beschadigde huis van oom Etiënne. Met Von Rumpel op haar hielen, verstopt ze zich in een geheime ruimte achter een zware kast, waar ook de radiozender staat opgesteld die ze gebruikten om boodschappen door te geven voor het verzet. Daarvandaan zendt ze haar noodoproep uit, waarna ze muziek draait. Het is deze muziek die Werner op haar spoor zet, en uiteindelijk wordt ze door hem uit haar benarde positie bevrijd. De Bezetter wordt de Bevrijder!

Het licht overwint, ook al is het soms nog zo onzichtbaar. Dat is de boodschap die ik als lezer heb opgepikt uit dit prachtige boek. De schrijver heeft me weten te raken met zijn mooie taalgebruik en prachtige metaforen, verpakt in korte eenvoudige zinnen. De karakters worden mooi uitgewerkt, zowel hun lichte als hun donkere kanten. Alleen Marie-Laure, die leeft in het duister, lijkt geen donkere kanten te hebben. Een Engel, die licht brengt in de duisternis in het leven van de mensen om haar heen.

Heel knap om zulke wrede en donkere gebeurtenissen op zo’n fijnzinnige en poëtische manier te beschrijven. Om zo, zonder te oordelen, de menselijke kant van de Nazi’s aan het licht te brengen. Dat maakt vooral de Engelse titel (All the Light We Cannot See) meer dan waar!

Vraag: De hoofdpersoon van dit boek lijkt de blinde Marie-Laure te zijn. Zij vertegenwoordigt het licht. Of is het Werner, die de duisternis vertegenwoordigt? Is zijn sneeuwwitte haar een metafoor voor ‘al het licht dat je niet kunt zien’?